dinsdag 4 september 2007

Handleiding werkstuk

Het maken van een werkstuk.

Bepalen van het onderwerp
Het wellicht zeer voor de hand, maar toch kan ik er niet genoeg de nadruk op leggen: zoek een onderwerp waar je achter staat. Hoewel je nog niet veel zal weten van dit onderwerp, moet het je nieuwsgierigheid prikkelen, moet je het gevoel hebben hier iets spannends over te kunnen vinden. Hou het in eerste instantie vaag, of breed, het specificeren van het onderwerp van je daadwerkelijke onderzoek komt later wel.

Informatie zoeken
Dit lijkt makkelijker dan het is. In de mediatheek staan verschillende boeken over onderwerpen uit de geschiedenis.
Kijk eerst in de inhoudsopgave of er relevante informatie voor je in het boek zou kunnen staan.
Als je denkt dat er goede informatie instaat ga je die bladzijden lezen.
Tijdens het lezen maak je aantekeningen. Schrijf de titel van het boek en de schrijver boven aan het blad. Je noteert het bladzijdennummer waar informatie op staat, waarvan je denkt dat je die eventueel kunt gebruiken. Dit doe je voor alle boeken of tijdschriften die je gebruikt.
Het is heel verleidelijk om klakkeloos te googelen en gevonden informatie te knippen en te plakken in een eigen worddocument. Maar let hierbij echt op!! Lang niet alle informatie die je op het internet kan vinden is te vertrouwen. Iedereen kan informatie kwijt op het internet, niemand die het op waarheid controleert. (Zoals een uitgever wel hoort te doen voordat hij een boek uitgeeft). Het komt vaak voor dat er domme fouten in werkstukken worden overgenomen, omdat de tekst niet eerst kritisch is bestudeerd en geverifieerd.

Hoofd- en deelvragen bedenken.
Zodra je een beeld hebt van wat je wilt gaan onderzoeken, stel je een hoofdvraag op.

Een van de valkuilen bij het maken van een werkstuk is een te vage of brede formulering van de hoofdvraag. Hierdoor wordt het automatisch moeilijk om een goed antwoord te geven. Aan de andere kant moet je het onderwerp klein maken, er moet wel iets te onderzoeken blijven…Neem dus de tijd voor het formuleren van de vragen en laat de vragen goedkeuren door de docent. De vragen bepalen voor een groot deel het niveau van je onderzoek.
Hou er rekening mee, dat je de vragen tijdens je onderzoek aan kunt passen. De vragen die je bedenkt bij aanvang van de onderzoek zijn gebaseerd op de kennis die op dat moment hebt van het onderwerp. Het kan heel goed zijn, dat je tijdens het lezen van de literatuur een ander aspect van de materie onder ogen krijg en je nieuwe inzichten en ideeën krijgt.. Aarzel in zo’n geval dan niet om de vragen aan te passen. Sterker nog……

Je hebt verschillende soorten vragen: beschrijvende, verklarende en evaluatieve vragen.
Een beschrijvende vraag begint met woorden als ‘wat’, ‘welke’, ‘hoe’. Bijvoorbeeld: hoe verliep de Tweede Wereldoorlog? Je beschrijft een proces.
Een verklarende vraag begint met woorden als ‘waarom’, ‘waardoor’, ‘hoe ontstond…’, ‘hoe kwam het dat…. ‘? Bijvoorbeeld: Waarom was de Duitse inval van Duitsland op Polen op 1 september 1939 de aanleiding voor Engeland de oorlog te verklaren?
Een Evaluatieve vraag gaat over een eigen kijk: vragen naar wat goed of fout, juist of onjuist is, meer of minder belangrijk wordt gevonden.

De meest interessante vraag voor het maken van een werkstuk zal in jullie geval een verklarende vraag zijn.


Zodra je de hoofdvraag vastgesteld hebt, maak je deelvragen. Deze deelvragen vormen je uiteindelijke inhoudelijk gedeelte. Elke deelvraag wordt een hoofdstuk. In elk hoofdstuk wordt een apart deel van de hoofdvraag besproken.
Je hakt in feite de hoofdvraag op in stukken en elk stuk krijgt een eigen deelvraag.

Hoe verwerk je de informatie die je gevonden hebt?

Informatie verwerken
Neem voor elke deelvraag een apart blad.
Geef in steekwoorden antwoord op de vraag. Bespreek de volgorde van de steekwoorden met elkaar en deel ze in groepjes in. Elk groepje bij elkaar horende steekwoorden kun je als een paragraaf beschouwen en elk steekwoord als een alinea.

Hoe begin je met schrijven?
Leg alle informatie weg en neem alleen het blad met de steekwoorden voor je. Ga nu per steekwoord stukje schrijven, waarbij je telkens de vraag in je achterhoofd houdt. Je moet immers antwoord geven op die vraag, de informatie die je opschrijft moet daar dus ook mee te maken hebben.
De tekst moet geheel in eigen woorden zijn, tenzij je een citaat gebruikt. Als je een citaat gebruikt, moet je dit ook duidelijk aangeven. Bijvoorbeeld door de zin tussen “” te zetten. Als je hele stukken letterlijk overneemt, pleeg je plagiaat. En dat wordt niet gewaardeerd.

Het letterlijk overnemen van tekst van internet of uit boeken is verboden. Doe je dit wel dan pleeg je plagiaat en zal het cijfer van je werkstuk verlagen tot een 1.
Deze p.o. is niet herkansbaar, dus voorkom dit. Schrijf in de eigen woorden!!!!



Hoe moet het werkstuk opgebouwd worden?

Het uiteindelijke werkstuk moet bestaan uit een titelpagina, een inhoudsopgave, een inleiding, het schriftelijke stuk (hoofdstukken), een conclusie en een literatuurlijst.

Titel en titelblad
Pas als het hele werkstuk af is bedenk je een passende titel.
Zet deze samen met je naam op de titelpagina (voorkant). Een aantrekkelijke voorkant nodigt de lezer uit om te lezen. Denk daaraan.

Inhoudsopgave
Elk werkstuk heeft een inhoudsopgave. Zorg voor een mooie bladspiegel en bladzijde nummering.

Inleiding
In de inleiding vertel je wat je gaat doen. Welke hoofd- en deelvragen je gaat beantwoorden en hoe je dat gaat aanpakken. (De inleiding schrijf je daarom als het stuk af is.) Je geeft een verantwoording voor je onderzoek. Je verantwoord de keuze voor je onderwerp en je onderzoekswijze - dus waarom je deze deelvragen hebt gekozen. Als de inleiding niet klopt, klopt je hele werkstuk niet. Schrijf de inleiding dus met zorg (en achteraf)

De hoofdstukken
Daarna volgen de hoofdstukken, waarin je per deelvraag in een logisch, goed te lezen verhaal de informatie geeft die betrekking heeft op de vragen. Elk hoofdstuk heeft een eigen titel (dit is niet de deelvraag). Je kunt overwegen elk hoofdstuk met een kleine inleiding van enkele regels te beginnen waarin je de lezer uitlegt op welke vraag er antwoord gegeven wordt.

De conclusie.
In de conclusie geef je kort het antwoord op de vraag. Je gebruikt daarbij alleen informatie die je al in je verhaal verwerkt hebt. Goed beschouwd is de conclusie dus een samenvatting van de tekst. In een goede conclusie verantwoordt de schrijver, jij dus, zijn/haar antwoord. Leg uit waarom jij deze bepaalde informatie zo belangrijk vindt en waarom dit volgens jou het antwoord op de vraag is. Je mag geen nieuwe informatie geven in de conclusie.

Literatuurverwijzing.
Zeer belangrijk bij een geschiedeniswerkstuk is de literatuur die je gebruikt hebt en hoe je die moet opschrijven. Gebruik niet alleen internet. Heb je interessante, bijzondere of moeilijk toegankelijke literatuur gevonden en gebruikt dan zal dit altijd in positieve zin meegenomen worden in je beoordeling.
Let op er zijn strikte regels voor het vermelden van de gebruikte literatuur:

Kershaw, I., Hitler. Vergelding 1936-1945 (Utrecht 2000) blz. 417 – 421
(Achternaam van de auteur, initialen, cursief titel en ondertitel. (tussen haakjes) Plaats en jaar van uitgave. Eventueel als je echt maar enkele bladzijden gebruikt hebt, de bladzijdennummering.)
Internetpagina’s noteer je zo nauwkeurig mogelijk. Enkel verwijzen naar google is niet afdoende.

Illustraties
Plaatjes en andere illustraties kun je alleen gebruiken, als zij ook daadwerkelijk iets toevoegen of verduidelijken. Zomaar plaatjes plakken omdat het zo leuk staat is niet aan te raden. Illustraties moeten een duidelijke functie hebben. Zorg ook altijd voor een onderschrift bij de illustraties. Er moet staan wat er te zien is en waar je de illustratie vandaan hebt. Bijvoorbeeld uit welk boek.

Zorg dat het geheel er verzorgd uitziet. Lettergrote: 12, regelafstand: 1

Geen opmerkingen: